Egypte 2001
Donderdag 31 mei
Nubisch dorp - het Simeonsklooster
In het programma was voor vandaag een vrije dag gepland. Ondergetekende dacht bij het inschrijven in de 'schrijverslijst' slim te zijn en zich voor een verslag van deze vrije dag in te schrijven . De tekst had hij van te voren al bedacht. Hij zou luiden: niksen, zwembad, eten, niksen , zwembad, zwembad, niksen en weer eten, slapen en nog iets dat vroeger ook nog in het rijtje paste, maar hij kon er nu niet meer op komen.
Maar luiheid straft zich zelf. Onder invloed van, niet van te voren voorspelbare omstandigheden: de hittegolf (>45°C ), het streven van Cairo International in de persoon van onze gids om vooral niets uit het programma te missen, en het bekende streven van John om overal het onderste uit de kan te halen tegen dezelfde en liefst iets lagere prijs, werd het programma iedere dag flexibel gewijzigd.
Zo werd schrijver dezes, bij het om vijf uur in de nacht/dag, toch al moeilijk ontwaken ('Slow starter', om vijf uur 's nachts 'very slow starter') geconfronteerd met een overvol programma voor die dag.
Toen hij, om negen uur een beetje besef kreeg van zijn omgeving, bevond hij zich op een typisch Egyptische zeilboot, een Feloeka, midden op een rivier, die later de Nijl bleek te zijn, te midden van een wonderlijk gekleed gezelschap, dat hem enigermate bekend voor kwam. Ze spraken een voor hem moeilijk verstaanbaar Maastrichts dialect: 'het Gulpens' en dronken continue uit meegebrachte doorzichtige flessen een heldere vloeistof, dat water bleek te zijn. Na elke slok zeiden ze: hè, hè, en keken dan weer wazig voor zich uit.
Nubisch dorp
Opeens doemde op de rechteroever een nederzetting op.
De kapitein van het schip, een in een lange witte jurk gehuld, donker, sinister type, besloot aan te leggen om de voorraad doorzichtige flessen aan te vullen. Het dorp (foto) bleek bewoond door donker gekleurde Nubiërs, een overgangsras tussen de bijna witte Egyptenaren en de zwarte negers (d.i. een contradictio in terminis: noot schrijver), die het zuidelijk deel van het Afrikaanse continent bewonen. Onze komst was via hypermoderne schotelantennes al aangekondigd, zodat een ontvangst comité van de oorspronkelijke bevolking ons, al hand ophoudend,verwelkomde. Kennelijk was het voor het eerst dat zij 'Gulpenaren' zagen. We werden meteen voor een feest in het dorpshuis uitgenodigd, waar wij werden ontvangen door gracieuze, heupwiegende dorpsschonen, die uit allerlei gaten in de muren te voorschijn kwamen en die ons onthaalde op typische Nubische volksdranken zoals: Nubische thee en cola.
Er ontstond later een spontaan volksfeest, een wonderlijke culturele uitwisseling. Een door ons spontaan ingezet Nederlands volkslied 'Tulpen uit Amsterdam', werd door hen beantwoord met een Nubische dans- en zangsessie, die uitmuntte door gillende keelgeluiden en die een originele, spontane indruk achterliet van het rijke Nubische volksleven.
Bovendien werden we uitgenodigd om het graf van de 'dorps'vaderen te bezoeken. Een gedeelte van het gezelschap ging daarvoor achter de wiegende heupen van een Nubische schone de berg op. Het is mij nog steeds niet duidelijk of de interesse de wiegende heupen of de graven betrof. Bij mij wekte het echter, van afstand gezien, de associatie op met het gezegde: 'Zo leidde Mozes zijn ezelen door de woestijn'. Het gezelschap verdween achter een heuveltop uit het zicht. Ik weet niet of ze ooit nog zijn terug gekomen. De rest van de groep bezocht de plaatselijke school of kocht 'nuttige'dingen bij de plaatselijke middenstand.
Het Simeonsklooster
Er werd besloten onze ontdekkingstocht voort te zetten en ons weer op de boten in te schepen.
De groep splitste zich in een boot der 'wijzen' en een boot der 'dwazen'. De inzittenden van de laatste boot hadden het plan opgevat om stroomopwaarts een hoog op een bergtop, in de brandende zon (50°C) liggend, klooster van de Heilige Simon te bezoeken (niet Jo Simons, want die is nog niet heilig, verre van dat zelfs!). Het klooster (foto) werd in de 6e eeuw gebouwd. In de 13e eeuw moesten de monniken het verlaten wegens gebrek aan water.
Als compensatie voor de inspanningen kon de reis per kameel gemaakt worden. Het gros van het gezelschap nam dit aanbod aan en hees zich op een schip der woestijn. Enkele macho's in het gezelschap sloegen zelfs dit voorstel af en togen te voet de helling op (zonnesteek?). De wijzen op de boot der 'wijzen' sloegen dit schouwspel, in de schaduw zittend, geamuseerd gade. Zelfs op het gezicht van de in het nabijgelegen Mausoleum rustende Aga Khan, die net een verse rode roos gekregen had, verscheen een meewarige glimlach. Toen de laatste bezoekers van het klooster,wijdbeens vanwege de kameelrit, terug bij de boot der 'dwazen' waren aangekomen zeilden beide boten terug naar het hotel.
's Middags werden opvallend veel kameelrijders, tot hun middel in het water staande, in het zwembad te bespeuren.
De ontmoeting, eerder die dag, met de Nubische volkscultuur veroorzaakte voor het eten nog een run op het Nubisch museum, dat tegenover het hotel was gelegen.
Na het diner, waaronder, voor de derde keer, een wiegende blote buik werd gedemonstreerd, zakte iedereen uitgeput, puffend op het terras neer. Enkele moedigen gingen hun laatste inkopen doen in de plaatselijke bazar. En toen was het koffers pakken voor de reis naar Luxor de volgende dag.
Ongetwijfeld een heerlijke vrije dag!
Jacques Dahlmans